Verslagen

Verslag 4: Leuven 27 maart 2009: ETENST(R)IJD! Over vroege eet- en voedingsproblemen.  

 

Verslag 3: Leuven 03 oktober 2008: Soms is het anders, soms is het gelijk. Vroege ouder-kind begeleiding in de context van cultuurverschil, diversiteit en maatschappelijke kwetsbaarheid.

 

Verslag 2: Antwerpen 16 mei 2008: Vaders!  Over baby’s, peuters en vader(en)

 

Verslag 1: Leuven 14 december 2007:

BEGINNEN BIJ HET BEGIN : Basisvaardigheden in het werken met infants en hun ouders/zorgfiguren

Leuven 14 december 2007

‘Beginnen bij het begin’, klinkt dat niet wat te bescheiden voor een organisatie die toch al haar vierde studiedag organiseerde over het werken met jonge kinderen? Bij nader inzien blijkt deze vlag voor WAIMH Vlaanderen veel ladingen te dekken.  De lading van het werken met kinderen aan het begin van hun leven. De lading van preventief werken maar vooral ook het stilstaan bij basisvaardigheden en de kwaliteit van de basisrelatie in hulpverlening en preventie. Het lijken soms ‘verworven vaardigheden’, duidde professor Gaston Cluckers die deze studiedag inluidde als een herbronning in basisvaardigheden in het werken met infants en hun zorgfiguren.

 

Sprekers

Patrick MEURS, KULeuven en HIG Brussel zorgde eerst voor een theoretische situering van het belang van basisvaardigheden in preventie en interventie, met recente tendensen binnen het preventieve werk.

Daarna volgden vier ‘praktijklezingen’, telkens uit een andere setting van het werken met jonge kinderen.

Hilde SEYS (Ziekenhuis Oost-Limburg) schetste het werken met ontroostbaar huilende kinderen op de kinderafdeling van een algemeen ziekenhuis.

Marleen SCHURMANS en Ruth STEVENS vertelden over hun werk in De Tuimel in Berchem, centrum voor begeleiding van maatschappelijk kwetsbare gezinnen.

Kris HENNO en Ria VAN LAER vertelden vanuit het Amber-project in Leuven over intensieve thuisbegeleiding van infants en hun gezinnen, vanaf de zwangerschap tot het eerste levensjaar.

Saskia DESMEDT, Universitair Centrum Infant-, Kinder- en Adolescentenpsychiatrie Antwerpen, kaderde het werken aan de basisrelatie bij een moeilijke overgang tussen peuter- en kleutertijd in een cliëntgericht en experiëntieel kader.

Hun relaas maakte duidelijk wat Patrick Meurs in zijn theoretische kadrering aangaf: basisvaardigheden in de relatie ‘hulpverlener’ – ‘patiënt’ zijn essentieel in preventie en interventie!

  

Relationele vaardigheden in de vroege preventie en interventie: overzicht van concepten, modellen, methodieken en onderzoeksresultaten.

         Patrick Meurs, K.U. Leuven, HIG Brussel

 

Waar in de psychotherapieliteratuur basisvaardigheden van de hulpverlener, met welke achtergrond ook, beschouwd worden als de factoren bij uitstek die een therapie effectief maken, blijft dit relationele proces vaker buiten beeld in het preventieve werk. Termen als ‘empathie, aanvaarding van de patiënt, containment of holding’ vonden wel al ingang maar de vragen van het beleid naar liefst korte-termijn-effecten  zorgen ervoor dat het relationele proces vaak niet in de picture komt, ook niet bij de preventiewerker zelf. Toch zijn basisvaardigheden in deze relatie ook hier de sleutels tot effectiviteit.

Het verschuiven van de aandacht van methodieken naar relatie/proces is een belangrijke recente tendens in het preventieve werkveld, net als de vraag om het langetermijnperspectief niet te verwaarlozen.

 

Basisvaardigheden in de preventieve relatie

Basisvaardigheden in het preventieve werk zijn onder meer sensitiviteit, beschikbaarheid, presentie maar ook structureren, richtingen uitzetten en negatieve cirkels doorbreken. Deze basisvaardigheden situeren zich op drie niveaus in de relatie-opbouw en vroege begeleiding:

·         ruimte maken voor en relatie leggen met ouders (ontvangst, ontmoeting, bereikbaarheid, sensitiviteit, affectieve afstemming, ‘ouvrir l’espace jeu et parole’).

·         Werken met ouders: gidsen, routes uitzetten, vooruitzien, structureren.

·         Ouders aan het werk krijgen, participatie bevorderen, eigen stem laten horen, onzekerheden doorwerken.

Deze niveaus vormen samen een cirkel die bij elke nieuwe ontwikkelingsstap weer doorlopen moet worden, op weg naar ontwikkelingsbevorderend ouderschap, binnen de structuur van een vast en duidelijk kader, ruimte en voldoende rust.

 

Bevorderen van ontwikkelingsgericht ouderschap

Elke ouder heeft verborgen breuklijnen, waar hij voor zichzelf mee leerde leven. De grotere kwetsbaarheid die een nieuw kind meebrengt, kan die plots weer aan de orde brengen (de ‘ghosts in the nursery’ of de ‘wild things’) maar is ook een nieuwe kans om de confrontatie met eigen kwetsbaarheden aan te gaan binnen de ‘motherhood constellation’ (Stern) en het ‘minding the baby’ (de baby in gedachten houden).

‘Minding the baby’ is een belangrijke attitude in het preventieve werk. De begeleider houdt moeder èn kind in gedachten en helpt moeder zo om het reële kind te zien. Ook het intergenerationele aspect moet een plaats krijgen in de basisattitudes binnen het preventieve werk.

 

Ontvangst, ontmoeting, ontwikkeling

Ontvangst of ‘accueil’ creëert een kans voor ouders om te gast te zijn, om de ruimte te betreden van de begeleiding ouder-kind.

Dat gaat samen met het inspraak geven aan ouders in het aankleden van die ruimte, hun ritme volgen, speelse aspecten aan bod laten komen, gezamenlijk dingen doen. Samen de was plooien of juwelen maken laat toe om ongedwongen verhalen te vertellen en zo de familiescripts te herschrijven.

 

Beginnen bij het begin

Vroege problemen zijn relationeel ingebed en in die relatie te verhelpen. De D-C: 0-3 is een geschikt instrument om die vroege problemen te detecteren.

In de begeleiding van gezinnen die lijden aan generaties van armoede of een trauma door de migratiegeschiedenis, die lijden aan de spoken uit hun eigen verleden of overspoeld raken door het ouderschap, zijn volgende basisvaardigheden van belang:

Being there to be left’, emotionele beschikbaarheid (met de twee samenhangende componenten sensitiviteit en structureren, als een samengaan van een moederlijke en een vaderlijke component), niet intrusief of vijandig zijn, containment (het verdragen van moeilijke gevoelens en het geven van betekenis die voor ouders herkenbaar en draaglijk is), affectieve communicatie die vooral nonverbaal is.

Eigenlijk komt deze manier van begeleiden neer op ‘draden weven’ (weaving threads) – cfr. ‘minding the baby’ – waarbij de begeleider ervaren wordt als een steun op de achtergrond. Deze manier van werken herstelt een basisrelatie, nu tussen begeleider en ouder, zodat de ouder de basisrelatie met zijn kind weer kan aangaan. Zich opbouwende spanning bij de ouder wordt getoond aan en besproken met de begeleider zodat de spanning zich niet hoeft te installeren tussen ouder en kind. Een belangrijk aspect in de begeleiding is ook ‘playfulness’, het herkennen en bevestigen van veerkracht.

Het installeren van een vast en voorspelbaar kader en het bewaken van structuur geeft veiligheid voor dit relatiegebaseerd werk. Het kader moet voelbaar zijn, met duidelijke grenzen die helpen om innerlijk met zijn vragen verder te leven. Dit kader voor de basisrelatie verhindert dat ouders hun kinderen met hun moeilijkheden belasten of dat ze de spanning tegen zichzelf richten.

Zo wordt de verbinding mogelijk van de vroegere geschiedenis van de ouder, over het hier-en-nu van de vroege ouder-kind relatie naar de gezamenlijke toekomstperspectieven.

Binnen de PRESENTIETHEORIE van Andries Baart staan deze relatievaardigheden centraal in het aanwezig raken bij kwetsbare ouders. In de relatie gaat het erom voldoende lang en trouw te blijven. Deze aanwezigheid biedt structuur en maakt krachten in ouders wakker, zeker in situaties van depressie, armoede, migratietrauma,…

  

Modellen

 Het preventieve werk van de vroege ouder-kind relatie krijgt vorm in diverse modellen:

  • Thuisbegeleiding met Video Hometraining

  • Center-based programmes

  • Residentieel/ambulant/mobiele werk

  •  Outreaching. Uit onderzoek blijkt dat preventieve programma’s laagdrempeliger worden naarmate ze in een herkenbaar centrum doorgaan(consultatiebureau Kind en Gezin, Huiswerkbegeleiding,… Dat betekent dat begeleiders naar buiten moeten komen met hun programma’s, en contact zoeken op andere plaatsen).

  • Kracht van groepswerk

  • Community oriented of risk group oriented werk

Besluit

Vroege interventie helpt! De eerste tekenen van risico-ouderschap worden in de kiem gesmoord. Alleen is de kostenbesparing nog niet in kaart gebracht.

Vroege interventie is geen magisch redmiddel maar het verhoogt wel de veerkracht van ouders, die ervaren dat hulp mogelijk is èn loont (hun kinderen hebben minder gedragsproblemen, blijven minder zitten op school,…). Zo gaf onderzoek aan dat ouders die in een vroegbegeleidingsproject zaten, bij problemen later in het leven konden weervallen op die eerste ervaring dat hulp mogelijk is èn helpt. Ouders die dat niet konden, wachten later langer om hulp te zoeken.

Patrick Meurs eindigde met een oproep aan WAIMH om de ‘lange termijn’-boodschap duidelijk te maken naar het publiek en de politiek. Ouders zijn kwetsbaar in hun kinderen en preventie is van groot belang. In deze moeten we niet wachten ‘tot de problemen zich stellen om ze op te lossen’.

  

Infants in ziekenhuizen, het vroege relationeel gerichte werk in een medische omgeving

         Hilde Seys, Ziekenhuis Oost-Limburg ZOL, Genk

 

Hilde Seys slaagde erin om op de kinderafdeling van een algemeen ziekenhuis ruimte te scheppen voor ‘het begrijpen van het huilen’ van ontroostbare baby’s en voor de intuïtie van de moeder daarover.

De aanvankelijke hulpvraag van ouders met een ontroostbare baby is er een van medische screening. Oververmoeide ouders die het niet meer zien zitten, denken dat er iets lichamelijks mis is met hun kind. ‘Krampjes, reflux of voedselallergie’ worden vaak verondersteld als oorzaken. Als geen lichamelijke oorzaak opduikt, leidt dit vaak tot een impasse. Op vraag van de kinderartsen uit het ziekenhuis naar een gestandaardiseerde, efficiënte methode  werkte Hilde Seys een individueelgerichte, multidisciplinaire benadering uit die ruimte laat voor het aanvoelen van de moeder. Bedoeling is een hernieuwde afstemming tussen moeder en kind.

Vicieuze cirkel

Ontroostbare baby’s stellen een grote uitdaging, die een dynamiek op gang zet die ofwel de reden voor het huilen van de baby zoekt bij de baby zelf of bij de ouders ‘die het niet goed doen’. Het is een interpretatie die ook iets rustgevends heeft. Het huilen heeft zo toch een duidelijke reden. Toch blijft het een fragmentaire zoektocht die verwachtingen schept bij ouders en hulpverleners, die net als de baby overactief en rusteloos worden. Ook de artsen worden rusteloos en starten nog maar eens een nieuw onderzoek, wat de ouders tegelijk wèl en niet willen. De baby wordt nog ontroostbaarder. Alle intuïtieve componenten in relatie tot de baby vallen weg.

Dragende omgeving

Het team van de kinderafdeling bedacht een nieuwe, rustiger aanpak waarbij de kinderafdeling als dragende omgeving functioneert. Doelstellingen van deze aanpak zijn het uitbouwen van een werkrelatie met de ouders en de baby, zorgen voor een realistisch en gezond kindbeeld en zoeken naar evenwicht tussen zelfregulatie van de baby en co-regulatie van de ouders.

Deze aanpak gebeurt in fasen waarbij de kinderarts steeds in beeld blijft omdat ouders grote nood blijven hebben aan medische ondersteuning.

Als de kinderarts geen somatische oorzaken vindt voor het huilen, legt hij de nieuwe aanpak uit aan de ouders.

Met het akkoord van de ouders wordt de baby opgenomen. De eerste dag neemt de verpleegkundige zoveel mogelijk taken van de ouder over. Rooming-in wordt niet aangemoedigd, zodat de ouders wat rust krijgen. Op dag 2 nemen de ouders terug enkele taken op zich, met de verpleegkundige als belangrijke contact- en steunfiguur doorheen de hele opname. De psycholoog zoekt uit wat de sterke kanten zijn van ouders en baby en schept ruimte voor verlangens en dromen. Op dag 4 en 5 wordt het ontslag voorbereid.

In deze aanpak ligt niets vast op voorhand. Wat zich afspeelt in de relatie ouder-kind is van belang, waarbij ouder en kind als geheel worden bekeken, veel ruimte komt voor gedachten en gevoelens van de ouders en het wankele zelfgevoel van de ouders heel veel ondersteuning krijgt.

Ter illustratie vertelde Hilde Seys het relaas van Stefanie van 10 maanden die aanhoudend huilt. In het gesprek komt het gevoel van de moeder ‘goed genoeg is niet goed genoeg’ tot uiting, het gevoel niet te mogen falen, evenals de haast bezwerende woorden van de moeder van moeder ‘beter geen tweede kind te nemen’. Samen met de observatie dat de baby soms ook NIET huilt en rustig ligt rond te kijken en dat moeder daar geen aandacht aan schenkt, samen met het in detail bekijken van en interveniëren in de cyclus van ontroostbaar huilen, komt het accent steeds meer te liggen op het begrijpen van het huilen en het toelaten van wanhoop en ‘niet-weten’ als mogelijkheid en kans om weer af te stemmen op de affectieve signalen van de baby.

 

 Begeleiding van infants en ouders in maatschappelijk kwetsbare gezinnen: De Tuimel in Berchem

                   Marleen Schurmans en Ruth Stevens

 

Zeventien jaar geleden startte De Tuimel vanuit het dagcentrum voor Bijzondere Jeugdzorg De Touter, als alternatief voor uithuisplaatsing van kinderen uit generatiearme gezinnen en het werken aan de fragiele band tussen ouders en kind. Ouders waren van in het begin betrokken bij de uitbouw van het centrum.

De methodiek groeide met de praktijkervaring. Zo richtte de Tuimel zich in het begin vooral op ondersteunen van ouders en werken rond hun moeilijke verleden. Door praktijkervaring verschoof de focus naar de band tussen moeder en kind. Nu komen ouders en kinderen een aantal dagdelen per week samen naar de Tuimel, voor  een combinatie van individuele methodieken en groepsaanbod. In concreto betekent dat een aanbod op maat van elk gezin.

De Tuimel weet uit de praktijk hoe belangrijk het langetermijnperspectief is in het werk met generatiearmen : ‘Hoe meer mensen gekwetst werden in het verleden, en hoe langer mensen in armoede leefden, hoe langer het meestal duurt voor zij zich veilig kunnen voelen binnen organisaties en langzaam terug de regie voor het eigen leven kunnen opnemen. Ons inziens hebben een groot aantal generatiearmen jaren nodig om als persoon te kunnen groeien (om zich te kunnen hechten, om empatisch te kunnen zijn, om voorspelbaar te kunnen worden,…. Voor jonge kinderen is het echter essentieel om in de eerste levensfase, de eerste maanden, de eerste jaren voldoende basisveiligheid en hechtingsmogelijkheden te krijgen.’

 

Cocktail van werkvormen

Verschillende werkvormen worden daarvoor ingezet:

  • Gezinsbegeleiding met gesprekken en concrete activiteiten. Dat kan bijvoorbeeld videotraining zijn.

  • Babywerk en peuterklasje, met een ontwikkelingsstimulerend aanbod en betrekken van de ouders.

  • Ouderwerking met oudergroep, -vergaderingen, -cursus en gezinsuitstappen.

  • Participerende kleuterwerking waarbij ouders en begeleiders samen de zorg voor de kleuters delen.

  • Interactie-ondersteuning van ouder en kind

 Steeds gaat het hier om ervaringsgerichte acties tussen ouders, kinderen en begeleiders die een dynamisch proces laten ontstaan van gedeelde ervaringen. Het linken van theorie, in de begeleidingsgesprekken, en de praktijk sluit heel goed aan bij de noden van deze gezinnen.

Ouders worden altijd aangesproken op hun positieve krachten en er wordt veel zorg besteed aan de relatie met ouders. De communicatie verloopt zo doorzichtig mogelijk en de begeleiders benoemen veel van wat ze zien. In dat kader worden ook veel geslaagde en leuke activiteiten georganiseerd waarbij ouders het gevoel hebben dat het succes van de activiteit aan henzelf te danken is. De activiteiten worden dan ook zo voorgestructureerd dat de kans op succes groot is!

Opvoedingsvaardigheden

Ouders worden ondersteund in het verwerven van opvoedingsvaardigheden, met het uitbundig benoemen van hele kleine vorderingen, uitdrukkelijk de link leggen tussen theorie van bv. de oudercursus en de praktijk, en het inoefenen thuis van vaardigheden die op de Tuimel lukken.

In de relatie tot hun kinderen worden ouders door vragen aangespoord tot reflectie (‘waarom denk je dat je kindje nu weent?’) , tot empathie en tot stilstaan bij de reactie van het kind.

Aan deze ouders wordt echter ook duidelijk meegegeven dat ‘het niet altijd zal lukken, dat niet alles in orde zal komen.’

 

 Intensieve thuisbegeleiding van infants en hun gezin: Vanaf de zwangerschap tot het eerste levensjaar

        

         Kris Henno & Ria Van Laer

 

 Thuisbegeleidingsdienst Amber (Leuven) begeleidt sinds 1998 kwetsbare gezinnen met een jonge baby (0 tot 6 maanden) aan huis. Via een intensieve begeleiding willen ze de beschikbaarheid van ouders voor hun kinderen vergroten en een betere afstemming stimuleren van de ouders op de signalen van hun kinderen. Een vroege begeleiding kan immers veel latere problemen voorkomen.

 

Voor wie?

 Ouders of alleenstaande moeders met kleine kinderen, tienermoeders, kwetsbare geïsoleerde gezinnen en moeders vanaf 1 maand voor de bevalling, die bereid zijn om  verantwoordelijkheid voor de opvoeding te nemen. Amber is er voor alle gezinnen, binnen het preventieve kader-netwerk    met sociale diensten van ziekenhuizen, consultatiebureaus Kind & Gezin, CKG’s, OCMW’s en diensten pleegzorg.

  

Risicofactoren in de opvoeding:

Alleenstaanden, grote onzekerheid, jonge leeftijd ouders, mentaal beperkt, psychiatrische problematiek ouders, middelengebruik, weinig draagkrachtige grootouders.

 

Principes van de werking:

Vroegtijdige aanpak (kort voor of na de bevalling)

Intensief (3 x/week op huisbezoek)

Integraal (vnl. zorg voor ontwikkeling baby maar ook aandacht voor factoren uit ruimere context).           

Positieve hulpverlening: bekijken wat goed gaat

Empowerend

Begeleiding is vraaggestuurd.

 

Vaardigheden bij hechtingsgericht en relatieopbouwend werken met gezinnen:

Hierbij gaat het om twee parallelle processen: dat tussen hulpverlener en ouders, en de afstemming ouders-kind. Centrale focus is de relatie ouders-kind met als vraag ‘hoe kan begeleiding ervoor zorgen dat ouders meer beschikbaar zijn voor hun baby?

Kapstokken om de noden van de baby aan op te hangen binnen het afstemmingsproces zijn zorg, emotionele noden en ontwikkeling van de baby, bewustwording van signalen van de baby, differentiëren van kijk op de baby (wat zijn mogelijke redenen waarom een baby weent?), en corrigeren van onaangepaste verwachtingen ten aanzien van hun kind.

 

Nodige vaardigheden hierbij: zorg voor de persoon van de ouder,

 rekening houden met zijn verlangen naar autonomie, angst en wantrouwen hanteerbaar maken voor het gezin, consequent steunend aanwezig zijn en ruimte laten voor mislukking en moeilijke emoties.

Van groot belang is ook het wegnemen van obstakels voor groei door integrale begeleiding voor die aspecten die de ontwikkelingskansen voor het kind negatief beïnvloeden.

 

Fasegericht werken:

in een eerste fase wordt gewerkt aan de regulatie van voedings-, slaap-, waak- en activiteitscycli van de baby (0-2,5 md).

In een tweede fase komen contactinitiatieven en stimuleren van emotionele beschikbaarheid van de ouder in beeld (2,5-5 md)

Tussen 5,5 en 8 md gaat veel aandacht naar het samenspel ouder-kind en wordt de ouder aangemoedigd zijn kind te stimuleren in zijn ontwikkeling. Hiertoe ontwikkelde Amber zelf een ontwikkelingsvragenlijst.

Tussen 8 en 12 md gaat veel aandacht naar het proces van hechting. Met de ouder wordt gesproken over nieuwe noden en exploratie van hun kind maar gaat ook aandacht naar de beleving van de ouder als hun kind zelfstandiger wordt.

 

Struikelblokken en valkuilen

Ingezogen worden in het gezin, in strijd gaan met de ouders, te hoog gespannen verwachtingen of overnemen van de eindverantwoordelijkheid. Dat wordt vermeden door een tweede hulpverlener in te schakelen die het gezin ook kent maar meer afstand heeft tgo  het betreffende gezin.

 

 

Werken aan de basisrelatie bij een moeilijke overgang tussen peuter- en kleutertijd vanuit een cliëntgericht en experiëntieel kader.

 

         Saskia Desmedt, universitair centrum Infant-, Kinder- en

         Adolescentenpsychiatrie Antwerpen

 

De mate waarin ouders en kind erin slagen om zich met succes op elkaar af te stemmen, is bepalend voor de ontwikkeling van een gezonde hechting en zelfconcept. Elk kind ontwikkelt een zelf-kerngevoel (Stern), een innerlijk gevoel dat kan gedeeld worden. Het kind kan in relatie staan en leren terugvallen op zijn innerlijke dialoog.

Verstoorde afstemming

 Als de houding van ouders sterk voorwaardelijk is, het kind een trauma oploopt of als er sprake is van een (volwassen of kinder)- psychiatrische problematiek, wordt die ontwikkeling geremd, binnen een wederzijds verlies aan vertrouwen en het installeren van verstarde interactiepatronen. Bij empatisch falen (Vanaerschot), of een verstoord belevingsproces, verliest het kind contact met zijn eigen belevingsproces.

Dat kan gebeuren bij verwaarloosde kinderen of KOPP-kinderen, als de nood aan liefde in conflict komt met de tendens tot ontwikkeling, als de ouder de ervaring van het kind wil omvormen tot wat hij zelf wil. Daarbij komen de verwachtingen van ouders in de plaats van de eigen beleving van het kind en het eigen contact met een gezonde beleving. Het kind voelt niet meer waar hij energie uithaalt, wat hem gelukkig maakt.

Dit destructieve proces kan ook in gang gezet worden bij een gedeeltelijke afstemming, waarbij belangrijke stukken innerlijke beleving afgesloten raken van de bewuste beleving. Die delen blijven echter wel bestaan en komen bijvoorbeeld tot uiting in zelfdestructief gedrag met automutilatie.

Het gevolg van het ontbreken van de afstemming op heel jonge leeftijd, leidt vaak tot een ernstige verstoring.  Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als een kind op heel jonge leeftijd in het ziekenhuis opgenomen wordt. Het mist de ervaring dat het eigen lichaam goed en warm aanvoelt en dat zijn behoeften bevredigd worden. Zo’n kind ervaart geen meesterschap op zelfkernniveau, raakt overstuur als de routine doorbroken ? en gedraagt zich heel controlerend bij veranderingen.

Ook KOPP-kinderen ervaren zo’n ernstige verstoring. Ze zijn nog niet tot een eigen innerlijk bestaan gekomen en verdragen heel moeilijk de eenzaamheid. Dan komen ze in de leegte terecht. Zo’n kinderen melden dan bijvoorbeeld ongedifferentieerde buikpijn, die ze met niets in verband kunnen brengen van wat er gebeurt in hun leven.

 

Afstemming terugvinden

Een cliëntgericht en experiëntieel kader wil het kind begrijpen in zijn basisbehoefte, mogelijke bizarre gedachten, gedrag, gevoelens en pijn. Als die echt begrepen worden, treedt er sowieso verandering in bij het kind. Een belevingsbevorderende hechtingstherapie met het kind wil het gestagneerde belevingsproces herstellen en een alternatief relatiemodel opbouwen.

Het herstellen van het belevingsproces volgt de ontwikkeling van de zelfbeleving, zoals beschreven door Stern.

0 – 2 md: ontluikend zelfgevoel, ervaren van relaties, ontstaan van organisatie.

2 - 6 md: kernzelfgevoel ontwikkelt, met de fysieke ervaring van zelf handelen, coherentie en affectie. Loopt het hier mis, dan ervaren kinderen een gebrek aan meesterschap. Dat kan leiden tot anorectisch gedrag van peuters, die het eten in hun lijfje gepropt krijgen door hun moeders.

Kinderen ervaren ook een gebrek aan coherentie, samenhang, als de verbinding tussen gedrag, gevoel en uitlokkende stimuli ontbreekt.

In THERAPIE wordt de controle expliciet bij de kinderen gelaten en wordt hun angst benoemd. De speelkamer is zo voorspelbaar mogelijk.

Om samenhang te creëren wordt expliciet benoemd ‘wat zou er jou zo boos maken?’ en wordt het kind stevig begrensd bij dreigende overspoeling, met rustige verwoording van de angst die het kind voelt.

7 – 15 md: ontwikkeling van subjectief zelfgevoel. Stoornissen in dit proces leiden tot een onjuiste afstemming. Deze kinderen weten niet wat ze voelen. Vaak worden dat ‘voorbeeldkinderen’, die de invulling van hun beleving bij anderen zoeken.

Bij een gedeeltelijke afstemming krijg je enthousiaste kinderen, bij wie verdriet niet aan de oppervlakte  komt. Kinderen die opgroeien zonder afstemming, ontwikkelen geen innerlijk gevoel.

15 – 24 md: ontwikkeling van het verbaal zelf. Kinderen ervaren dat ze hun ervaringen verbaal kunnen representeren en dat ze met woorden over hun ervaringen kunnen reflecteren.

 

Basisrelatie herstellen

Kinderen kunnen hun ervaringsgemis inhalen en de eenzaamheid leren verdragen. Een belevingsbevorderende therapie met het kind zorgt voor een relationeel herstel door het aanbieden van een alternatief werkmodel. Eenvoudige tips volstaan soms om de dynamiek van zichzelf willen worden maar de ruimte niet krijgen, weer op gang te brengen.

In de hechtingstherapie worden de basisstappen in beleving en zelfontwikkeling herdaan aan de hand van een gezamenlijk ritueel rond eten. Eten is vaak de spiegel voor zelfbeleving, naar het aloude spreekwoord ‘liefde gaat door de maag’. In therapie wordt gewerkt met een winkeltje, waar kinderen eten en snoep kunnen kopen, zoveel als ze willen, waarmee ze dan eten maken, opruimen en afwassen.  Het hele ritueel staat symbool voor het proces van zelf-regulatie.

In therapie zie je kinderen die de hele winkel leegkopen en alles opschrokken (zo groot is het gemis) of kinderen die alles eten, ook al kokhalzen ze erbij (deze kinderen zijn de differentiatie verloren). Gaandeweg komt er evolutie in het koop- en eetgedrag: kinderen kopen nog wel slecht snoep maar herinneren zich dat ze dat eigenlijk niet  lekker vinden. Of ze evolueren naar verdelen van het eten. Waar het kind aanvankelijk niet wilde delen met de hulpverlener en die zelfs uitlachte, willen ze later via het eten, ook hun ervaringen delen en vinden ze dat zelfs fijn. Of ze willen in het begin alles samen doen met de hulpverlener en evolueren naar alleen bezig zijn, terwijl de hulpverlener spreekt met hen.

Cotherapie thuis

Deze fasetherapie gaat gepaard met een co-therapie thuis waarbij het gezamenlijk ervaren gemis ingehaald wordt door belevingsbevorderende interventies. Ouders komen gedurende een bepaalde periode tegemoet aan alle noden van het kind (fles geven, liedjes zingen, lichaamsdelen benoemen, troosten,…). Het kind ervaart dat het zich mag overgeven, ontspannen. Ze evolueren van babyfase naar de peuterfase, met een nabijheid op het subjectief en verbaal zelfniveau. Ook aan de afscheidsfase wordt bijzondere nadruk gelegd: hoe neem je niet-traumatisch afscheid? Het is een hele belangrijke stap in de hechtingstherapie.

 

 

En dan de zaal…

 

De zaal kreeg het laatste woord.
Zij hadden vragen over concrete aspecten van de diverse werkingen maar vroegen zich ook af hoe je kansarme ouders betrekt als co-therapeut in de cliënt-centered benadering. Saskia Desmedt benadrukte dat dat een heel proces veronderstelt met de ouders, vooraleer ze de eerste keer in het therapielokaal binnenstappen.

Hoe thuisbegeleidingsdienst Amber de grotere nadruk op langdurige begeleiding ervaart, kwam een andere vraag. Zo’n intensieve begeleiding drie keer per week gedurende 6 maanden kan je niet zo langdurig doen maar toch lukt het om ouders het nodige vertrouwen mee te geven.

De Tuimel vulde aan dat langdurige begeleidingen ook risico’s meebrengen. Dat kwetsbare ouders zeggen ‘OK, als we toch zo goed bezig zijn, dan maken we nog een kindje bij. Dan kunnen we in begeleiding blijven!”

En dat kan niet de bedoeling zijn,hoe goed de begeleiding ook is.

 

 

(verslag Hilde Van Durme)

 

Mindscaped by Netural Design Webmaster: Greet Geenen